Plantblindheid
Als je in een natuurgebied bent, zie je dan de verschillende planten en bomen echt? Of ervaar je de natuur meer als een prettig groen decor en wordt je aandacht pas getrokken als een vos of een opvallende vogel zich laat zien? Voor veel mensen geldt dat laatste. Plantenblindheid heet dat fenomeen.
In 1998 definieerden de Amerikaanse botanici Elisabeth Schussler en James Wandersee plantenblindheid als "het onvermogen om de planten in de eigen omgeving te zien of op te merken", en daardoor te onderschatten hoezeer ze van belang zijn voor het leven op aarde.
Veel westerse mensen, vooral diegenen die in grote steden wonen, kennen nog amper een handvol plantensoorten. Het probleem is niet alleen dat we ze niet meer kennen, we merken ze ook onvoldoende op. Dit geldt in de eerste plaats voor planten zonder vruchten of bloemen. Bloemen, zeker exemplaren in felle kleuren, trekken eerder onze aandacht dan groen gebladerte. Dit komt waarschijnlijk doordat bloemen in vele gevallen een voorteken zijn van voedsel, waardoor zij een cruciaal zijn voor overleving. Zaken die onze overleving ten goede komen, zoals bloemen, vruchten, water en dieren, zullen automatisch onze aandacht trekken. Wanneer beelden snel na elkaar voorbijflitsen, kan het brein een tweede doelwit even niet registreren vlak nadat het een eerste heeft opgemerkt. Mensen detecteerden dieren sneller dan planten in zulke snelle reeksen. Planten trekken, kortom, trager onze aandacht op een niveau dat we niet bewust sturen, want planten staan stil, hebben vergelijkbare kleuren en groeien samen tot een doorlopende achtergrond, waardoor het oog ze als decor behandelt in plaats van als afzonderlijke onderwerpen.
Biologie is maar de helft van de verklaring. De rest is aangeleerd, en stapelt zich op vanaf de vroege kindertijd. De voorkeur voor dieren boven planten is toegeschreven aan verschillende factoren. Planten bewegen niet en mensen, vooral kinderen, zijn afgestemd op beweging. Planten hebben ook de neiging om visueel samen te smelten. Omdat opvoeders vaak dieren gebruiken in plaats van planten als voorbeelden van biologische basisconcepten, groeien kinderen op met meer vertrouwdheid en empathie voor dieren. Bovendien leren kinderen die opgroeien met een diergerichte biologische opvoeding niet om het groen om hen heen te waarderen. Behalve dat ze zelfgenoegzaam zijn over planten en de hele omgeving, groeien ze niet op met interesse in plantgerelateerde carrières. Als samenleving zouden we kinderen veel meer mee naar buiten moeten nemen om zelf planten te laten ontdekken. Ook aan stadsflora valt al zoveel te zien. Natuurbeleving zou meer een onderdeel van het onderwijs moeten zijn: natuur in zijn volle breedte laten zien, ontdekken en ervaren.
Als planten ondergewaardeerd en te weinig bestudeerd worden, lijden het milieu en de mensen erin. En misschien wel het grootste probleem van allemaal: de wereld is afhankelijk van planten.
Veel van onze grootste uitdagingen van de 21e eeuw zijn immers gebaseerd op planten: opwarming van de aarde, voedselzekerheid en de behoefte aan nieuwe geneesmiddelen die kunnen helpen bij de bestrijding van ziekten.